‘Negerzoen’, ‘moorkop’ en ‘allochtoon’: racisme in de Nederlandse taal

De racismediscussie is opnieuw opgelaaid. De afgelopen weken werden er wereldwijd Black Lives Matter-demonstraties gehouden. Ook in Nederland waren volop demonstraties. Het racismedebat zorgt ook voor kritiek op het gebruik van racistische taal. Want welke woorden dienen we te gebruiken om een bepaalde groep mensen aan te duiden, zonder iemand te kwetsen?

Er zijn tal van voorbeelden van woorden die in de ban worden gedaan, omdat ze als racistisch worden beschouwd. In Winterswijk bloeien sinds deze week ‘tagetes’ in plaats van afrikaantjes. De bloem wordt bij zijn Latijnse naam genoemd, omdat dit de vakterm is voor de bloem, maar ook door de huidige racismediscussie. “Afrikaantjes zijn niet meer van deze tijd”, vindt de woordvoerder van ROVA, dat de buitenruimte in Winterwijk beheert.

Foto: Buitenlevengevoel

En ook van andere woorden is al afscheid genomen. De Grammy Awards stopte deze maand met het uitreiken van prijzen in de categorie ‘Urban’, begin dit jaar veranderde HEMA ‘de moorkop’ in een chocoladebol, de NOS gebruikt sinds 2018 het woord ‘wit’ in plaats van ‘blank’, in 2016 werd de term ‘allochtoon’ geschrapt door de overheid en sinds 2006 eten we ‘zoenen’ in plaats van ‘negerzoenen’.

‘Wit’ en ‘zwart’? Of ‘blank’ en ‘donker’

Mensen gebruiken verschillende woorden in de racismediscussie om bepaalde groepen mensen aan te duiden. Bijvoorbeeld ‘wit’ en ‘zwart’, ‘blank’ en ‘donker’ of ‘gekleurd’. De samenleving lijkt steeds vaker voor dat eerste te kiezen, omdat ‘blank’ in tegenstelling tot zwart een positieve connotatie zou hebben.

Zijn er nog meer woorden die we beter kunnen vermijden omdat we anderen ermee kunnen kwetsen? Volgens het Nationaal Museum van Wereldculturen wel. Om de gevoeligheid van bepaalde woorden uit te leggen, stelde het museum de publicatie ‘Words Matter’ op. Het is een advieslijst met woorden die je volgens het museum beter niet kunt gebruiken, of waarmee je in elk geval terughoudend moet zijn.

In het volgende audioverhaal wordt racistisch taalgebruik onderzocht. Welke woorden ervaren mensen als racistisch? Wie bepaalt dat? En, is dit een trend van de laatste tijd of zijn mensen altijd al kritisch op racistisch taalgebruik?

‘Hé Poepchinees!’

Tijdens de lunch gaat een man met chinese afkomst aan een tafel zitten. Hij zet zijn rugzak op de stoel naast zich neer en pakt hier een tupperware bakje uit, haalt de deksel ervan af en neemt een hap van zijn rijstgerecht. ‘Hé poepchinees! Kan je die stinkrijst ook ergens anders eten?!’ roept een van zijn collega’s naar hem. Hij voelt zich gekwetst. Maar, wat kan hij hiertegen doen?

Racisme uit zich onder andere in taalgebruik. Maar wanneer wordt taal gezien als racistisch? En wat kun je doen als iemand racistische taal tegen je gebruikt? 

“In het geval van poepchinees is het een duidelijke indicatie van racistisch taalgebruik”, legt Rajae Azaroual, woordvoerder van het College van de Rechten van de Mens, uit. “Diegene gebruikt hier afkomst in combinatie met het woord poep. De intentie is negatief.”

Of taal racistisch is, hangt af van de interpretatie van degene die bejegend is. “Taal wordt vooral gezien als discriminerend wanneer iemand het ervaart als kwetsend.” zegt Azaroual. Het kan hier gaan om algemene termen, zoals de woorden ‘neger’ en ‘flikker’. 

Er moet onderscheid gemaakt worden tussen racistische taal en racistisch taalgebruik, volgens taalkundige Jack Hoeksema aan de Rijksuniversiteit Groningen. “Bij racistische taal uit iemand zich negatief over andere rassen: ‘ik vind dat mensen met een DNA dat wijst op een vrij recente herkomst uit Afrika niet in Nederland thuis horen.’ Het taalgebruik is prima, ik gebruik geen enkele racistische term. Maar de inhoud van de mededeling is dat wel.”

Racistisch taalgebruik duidt qua inhoud niet per se op racisme, maar het is wel het soort taalgebruik dat mensen kwetst. “Hier zou je dingen onder kunnen rekenen als ‘ik ben dol op zwartjes’. Dit klinkt heel fout, en dat is het ook, maar qua inhoud is er niet zoveel mis mee.”

Wanneer je te maken hebt met discriminatie, kun je bij het College van de Rechten van de Mens een oordeel aanvragen over je klacht. Zij kijken of er sprake is van discriminatie op basis van een van de twaalf gronden, bijvoorbeeld ras, geslacht of gender. Het College geeft vervolgens een oordeel dat wordt meegenomen in een openbare zitting. 

Er wordt daarbij vooral gekeken naar de manier waarop iemand bejegend is, vertelt Azaroua. “Bijvoorbeeld wanneer je tegen iemand zegt ‘Hey Turk’ of ‘Hey Marokkaan’. Dit zijn geen scheldwoorden, maar waarom zou je iemand op deze manier aanspreken?” 

De intentie van iemand speelt hier een minder belangrijke rol. “Als iemand bijvoorbeeld wordt uitgescholden voor ‘zwarte piet’, dan kan iemand wel zeggen dat dat niet kwetsend bedoeld is, maar als iemand ervoor wordt uitgescholden, is dat wel kwetsend.”  

Waar precies de grens ligt, is volgens Azaroual moeilijk te bepalen. “Je zet discriminerende woorden niet in een email. Het is vaak gesproken taal, waardoor het een welles-nietes spelletje wordt. Daarom bekijken we elk geval apart. Racisme is juridisch lastig te bewijzen.”

Racistisch taalgebruik in kinderboeken

Tien kleine negertjesOki en Doki bij de nikkers en Een neger in het dorp. Kinderboeken met woorden in titels die wij nu als racistisch beschouwen, werden vroeger zonder problemen voorgelezen aan kleine kinderen. Het woord ‘neger’ of ‘nikker’ was vroeger voor veel mensen heel gewoon. Boeken en stripverhalen beschreven en verbeeldden mensen met een donkere huidskleur op een neerbuigende manier. Zo deden de donkere kinderen in de boeken vaak domme dingen, leerden ze niets en bleven ze fouten maken. Tegenwoordig zijn deze boeken controversieel: ze worden overduidelijk als racistisch ervaren. Het is voor ons niet langer denkbaar dat deze verhalen aan kinderen worden voorgelezen.

De titels van enkele van deze kinderboeken zijn zelfs gewijzigd door de uitgevers, omdat deze niet langer houdbaar werden beschouwd. Voor de hedendaagse lezer zijn de boeken ronduit schokkend. Maar wellicht ook leerzaam. Het toont dat de stereotiepe beeldvorming niet zo onschuldig is.

Tien kleine negertjes is een Amerikaanse kinderliedje uit 1868. Het liedje is een aftelrijm waarbij een gezelschap van ‘tien kleine negertjes’ bij ieder couplet kleiner wordt.

De titel van dit boek werd als ongemakkelijk beschouwd en daarom wijzigde de uitgever deze in 1971 naar ‘Oki en Doki bij de negers’. Ook dat bleek onhoudbaar. Sinds 1982 heet het boek ‘Oki en Doki op het eiland’. De ‘Nikkers’ worden in het boekje neergezet als dom en als ze honger hadden dan aten ze blanke mensen op.

Een neger in het dorp! is de titel van een zondagsschoolboekje. In het boek wordt de volgende taal gebruikt: de ‘man met zijn zwarte kroeskop’ (‘Een néger, een echte, dikke, zwarte nikker!’) wordt nageroepen: ‘Pieéieéeét! Zwarte Piet! Wat moet je in ons dorp? Sinterklaas is al lang naar Spanje!’ En: ‘Héé, nikker, nikker, nikkertje! Jij lijkt niet op een kikkertje!’

Het boek Sambo, het kleine zwarte jongetje toont goed hoe ingewikkeld de discussie rond dit soort boekjes kan zijn. Sambo werd lange tijd niet in Nederland uitgegeven, vanwege vermeend racisme. Vanaf 2001 verscheen het boekje in ongewijzigde vorm opnieuw. In het boek worden stereotype beelden opgeroepen van zwarte mensen, levend in het oerwoud, naakt in een boom hangend op de vlucht voor tijgers.

In 1852 verscheen het boek Uncle Tom’s Cabin van Harriet Beecher Stowe. In Nederland werd dit belangrijke werk later uitgegeven als De Negerhut van Oom Tom. De versie met het woord negerhut in de titel werd in 1982 voor het laatst gebruikt. Het boek verschijnt nu onder de titel De hut van oom Tom.

Sjimmie is een Negroïde jongen die op een clichématige manier wordt afgebeeld. Hij praatte krom Nederlands en is nogal onnozel, terwijl Sjors doorgaans de verstandige is. Sjimmie dook vaak in de zwartepietendiscussie op als voorbeeld van alledaags racisme. Vooral het personage Sjimmie is door de jaren heen sterk aangepast. Voordat Sjimmie gemoderniseerd werd, had hij een rieten rok aan, een bot door zijn neus en sprak hij gebroken Nederlands.

In dit boek komen typeringen voor die je doen fronsen, zoals: “Ze hebben geen van allen nog veel te eten gehad en Dagoe deelt aan allen uit, maar niet voor niets. Natuurlijk niet! Wie geeft er nu iets voor niets aan iemand die geen familie van je is? Geen rechtgeaarde bosneger zal dat doen!”

Een bruine jongen is uitgebracht in 1946. De ‘bruine jongen’ Karel voelt zich de mindere in een blanke omgeving. Hij probeert zijn handen lichter te krijgen door ze te wassen: 's Avonds voor hij in bed stapt, wast hij met buitengewoon veel zorg zijn bruine handen, maar ze worden er geen tintje lichter door. En zijn avondgebed besluit hij met deze woorden: "Lieve Heer, vergeef het mij, dat ik het zo naar vind dat ik een bruine jongen ben.”

Joe de gauwdief verscheen tussen 1925 en 1947 als stripboekje dat als reclame verspreidt werd. Dit boekje is een klassiek voorbeeld van stereotypering van zwarte mensen in kinderboeken. Joe wordt betrapt op diefstal van een stuk zeep. Hij doet dit omdat hij graag ‘wit’ wilt zijn.

In het stripverhaal uit 1931 reist Kuifje door de toenmalige Belgische kolonie Congo. Het stripverhaal weerspiegelt de koloniale en racistische opvattingen van destijds. Zo worden Congolese spoorarbeiders luilakken genoemd en hebben ze allemaal kroeshaar en dikke lippen. In 1946 werd het album opnieuw uitgegeven. In die nieuwe, gekuiste versie zijn enkele racistische uitspraken weggelaten.

Dit kinderboek komt uit 1947 en de titel toont al aan dat dit stereotiep en denigrerend is. In het boek wordt gespeeld met de tegenstelling tussen zwart (voorgesteld als vuil, zondig en slecht) en blank. Het is ‘de zwarte’ die wit, schoon en goed wil worden. De zwarten worden in het boek voorgesteld als grote kinderen die door blanken opgevoed moeten worden.

previous arrow
next arrow
Slider

Racistisch taalgebruik in muziek

Daar wordt aan de deur geklopt,
Zacht geklopt, hard geklopt.
Daar wordt aan de deur geklopt.
Wie zou dat zijn?
Wees maar gerust mijn kind.
Ik ben een goede vrind.
Want al ben ik zwart als roet,
‘K meen het toch goed.

Dit sinterklaasliedje kan iedereen meezingen. Kinderen zingen het samen op school of thuis als ze hun schoentje gaan zetten. Wie goed kijk naar de tekst, snapt dat dit lied racistisch overkomt. In muziek komt veel racistisch taalgebruik voor. 

Racistische taal in muziek komt volgens Wouter Capitain, docent muziekwetenschap aan de Universiteit van Utrecht, onschuldiger over dan wanneer iets geschreven of gesproken is. “Muziek is eigenlijk een soort zoet jasje waar het in wordt gegoten. Je denkt er niet bij na wat de betekenis is.” Dit zorgt er ook voor dat mensen niet doorhebben wat bepaalde muziek doet met de gevoelens van anderen. “Je denkt er vaak niet bij na wat je zingt. In een voetbalstadion worden bijvoorbeeld vaak homofobe termen gezongen. Het gemeenschappelijke gevoel overheerst dan, maar deze mensen hebben niet door dat het voor anderen kwetsend kan overkomen.”

Naar kinderliedjes wordt volgens Capitain nog minder kritisch gekeken. “We accepteren kinderliedjes makkelijker, omdat we hier al jong mee in aanraking komen. Het is voor ons dan lastig los te laten. Het is in het geval van sinterklaasliedjes collectief vastgeroest.”

Volgens Capitain kunnen racistische teksten extra schadelijk zijn wanneer ze in een muzikaal jasje zijn gegoten: “Muziek blijft beter in je geheugen hangen. Het is bewezen dat tekst met een melodie eronder makkelijker te onthouden is. Hierdoor blijft racistische taal plakken.”

Andersom betekent dit dat protestliederen tegen racisme ook effectief zijn. “Muziek kan veel verschillende groepen in de samenleving bereiken. Mensen die een bepaald muziekgenre luisteren, kunnen ook in aanraking komen met racismeprotesten, terwijl ze dat normaal gesproken misschien wel nooit zouden horen.” Zo bracht rapper Fresku deze maand een clip uit bij het nummer Fada, waarin beelden van politiegeweld en protestacties tegen racisme getoond worden. “Jongeren die fan zijn van Fresku, zullen meer affiniteit krijgen met dit thema. Muziek verbindt, aan beide kanten van de discussie.“   

Door Floor Visser, Daphne Douwes en Eline Kuper

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.